De Eu en het I-domein van de Nederlandse politie

Print

Tegenwoordig opereert de Nederlandse politie in internationaal verband. Zo hebben afspraken binnen de Europese Unie grote invloed op onze primaire processen, organisatie en I-functie. Maar treedt onze politie ook mede-beïnvloedend op in Brussel? Een schets.

De politiële I-functie dient het ‘beschikbaarheidsbeginsel’, dus deze moet zorgen dat de juiste persoon op het juiste moment de juiste informatie ontvangt. Stel, een surveillanceeenheid ziet ’s nachts een personenauto vervaarlijk slingeren en wil deze staande houden. Informatie over bestuurder (rijbewijs, gesignaleerd) en voertuig (gestolen, gekeurd et cetera) is dan handig.
Op zo’n moment treden de Europese samenwerkings- en gegevensuitwisselingsafspraken in werking. Deze zijn met verschillende systemen ingebed in de politiële informatievoorziening. Ook ’s nachts kan de surveillance-eenheid zich informeren over bestuurder en auto, bijvoorbeeld via signaleringen van gestolen auto’s en internationale opsporingsbevelen. Dat gebeurt veelal middels een verwijsindex. Zo raadplegen infodesks en soms ook politiemedewerkers via hun boordcomputer de Europese systemen. Elk Europees land levert dan data. Een zoekslag resulteert in wel of geen hit: persoon of auto is wel/niet bekend elders. Bij een hit neem je contact op met zo’n land. Hoe meer data systemen bevatten, hoe concreter het zoekresultaat, bijvoorbeeld: de auto met dit Poolse kenteken is een rode Opel Astra en staat gemeld als ‘uit het verkeer genomen’.

Effectiever politieoptreden
Meer samenwerking en gegevensuitwisseling maakt het politieoptreden effectiever. Het Stockholm-programma en de Digitale agenda zijn beleidsprogramma’s ten behoeve van ‘ruimte voor Vrijheid, Veiligheid en Recht’ (VVR). Ze vormen de opmaat tot concrete voorstellen voor bijvoorbeeld cybercrime- bestrijding, samenwerking op het gebied van eJustice en gegevensuitwisseling.

In de naaste toekomst speelt vooral de implementatie van het Verdrag van Prüm. Dit wil bij grensoverschrijdende criminaliteit de samenwerking en toegankelijkheid van wederzijdse informatie (DNA, dacty, kentekens) verbeteren. Ook afspraken voor samenwerkingsverbetering in het primaire proces hebben direct invloed op de I-functie. Bijvoorbeeld het Europees Aanhoudingsbevel, Bewijsverkrijgingsbevel en het toekomstige Onderzoekingsbevel. Het laatste zal veel invloed hebben op de tijdsbesteding door de Nederlandse politie. Systemen die mogelijk volgen zijn Visa Informatie Systeem (VIS) en European Police Records Index System (EPRIS).

Verwezenlijking van deze gegevensuitwisseling is een lang proces. Er zijn afspraken om terughoudend te zijn met het bouwen van centrale Europese systemen. De voorkeur gaat uit naar interoperabiliteit en verwijsindexen tussen nationale systemen. Niettemin maakt men dan nog steeds centraal afspraken over standaarden en autorisatie- en privacykwesties. Een gepland agentschap om grootschalige IT-systemen voor VVR te beheren, kan daarbij een coördinerende rol vervullen.

Hoe beïnvloedt onze politie het EU-beleid?
De Stuurgroep EU-informatie-uitwisseling (waarin alle relevante opsporingsdiensten en beleidsministeries) en de door de Raad van Korpschefs aangestelde commissaris voor EU-aangelegenheden formuleren actief Europees beleid. Dit kan beklijven als de Landelijk Chief Information Officer de beleidsdirecties informeert over praktische wensen en lopende initiatieven. Uitgangspunten van de Stuurgroep EU-informatie- uitwisseling zijn:

  1. beschikbaarheidsbeginsel: informatie is direct toegankelijk, uitwisseling decentraal;
  2. preferent communicatiekanaal is Europol.

De impact op de I-functie biedt de kans om effectiever en efficiënter criminaliteit te bestrijden. Maar het risico is dat er te veel tijd en geld gespendeerd wordt aan het ‘EU-proof’ maken van de politiële informatievoorziening. Dit pleit voor vroegtijdige aansluiting op en beïnvloeding van de ontwikkelingen. De Nederlandse politie heeft daartoe al stappen gezet. Maar heeft zij wel genoeg zicht op wat er in EU-verband gebeurt en genoeg inbreng in de beïnvloedende fase?

We concluderen dat een kleine groep, verspreid binnen de politie, sterk doordrongen is van de impact van de EU op de I-functie. De groep met toenemend bewustzijn is wat groter. Onze politie beïnvloedt EU-beleid dus al actief. Maar het proactief en medebeïnvloedend handelen moet doelgerichter worden. Bijvoorbeeld door:

  1. meer samenhang tussen hoe onze politie haar I-functie inricht en de EU-ontwikkelingen.
  2. de Europese activiteiten duidelijker en breder te presenteren binnen de politie;
  3. elkaar wederzijds (Stuurgroep, commissaris EU-aangelegenheden, LCIO en beleidsdirecties), vroegtijdig en meer te informeren over ontwikkelingen, voortgang en besluitvorming.

Pieter Lindhout, MPIM, adviseur sector Veiligheid
drs. Ingrid van Wifferen, adviseur Europa Unit bij Het Expertise Centrum.
In samenwerking met Ary Polderman en Sjaak Bax van het KLPD.